Geschiedenis                                                                            

 

Home
Agenda
Radiologie
De Opleiding
Studeren
Links
Anders

 

In 1995 verscheen in de Nederlandse Tijdschrift voor Geneeskunde een aantal artikelen over radiologie ter nagedachtenis van honderd jaar bestaan van radiologie. Als antwoord op de gestelde vraag, hier een stuk van één van die artikelen (Honderd jaar radiologie in Nederland. III. Radiodiagnostiek, een historisch overzicht) geschreven door Dr. J.O op den Orth.

(puntjes representeren een aantal zinnen die weggehaald zijn; het complete artikel leest u in het NTvG van 1995; 139(46):2382-6)

De in Nederland opgegroeide Würzburgse hoogleraar natuurkunde Wilhelm Conrad Röntgen (1845-1923) ontdekte op 8 november 1895 een tot dan toe onbekend soort stralen; op 28 december van hetzelfde jaar maakte hij zijn bevindingen bekend. De X-stralen, zoals ze door hem gedoopt werden, zijn later naar hem genoemd.

Het belang van deze vondst werd alom verbluffend snel begrepen. Reeds in Nature van 23 januari 1896 verscheen niet alleen de Engelse vertaling van Röntgens bevindingen, maar ook een artikel van A.A.C.Swinton over ‘professor Röntgen's discovery’. Mondiaal verschenen er alleen al in 1896 meer dan 1000 publicaties. In 1901 werd de eerste Nobelprijs voor Natuurkunde aan Röntgen uitgereikt. ………... De opleiding in de radiologie omvatte aanvankelijk zowel de radiodiagnostiek als de radiotherapie, vanaf 1972 kwamen er aparte opleidingen. Toch noemt menig radiodiagnost zich radioloog, hetgeen goed aansluit bij het internationale gebruik.

ONTSTAAN VAN HET SPECIALISME RADIODIAGNOSTIEK

Dr.J.K.A.Wertheim Salomonson, een in onder andere elektrotherapie geïnteresseerde Amsterdamse neuroloog, was één van de eerste medici die de röntgenstralen in Nederland toepaste. ……...  Uit het feit dat op een röntgenfoto van een kindervoetje de falangen ver van elkaar liggen, maakt hij op dat kraakbeen de X-stralen zeer gemakkelijk doorlaat; ……. Hij werd in 1899 aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de neurologie en de röntgenologie; hij was hiermee 's werelds eerste hoogleraar in het nieuwe vak. …….

Hoewel de ontwikkeling van de radiologie tot medisch specialisme, dat aanvankelijk zowel de radiodiagnostiek als de radiotherapie omvatte, zich dus al vroeg aftekende, heeft het lang geduurd voordat het vak uitsluitend door daarin gespecialiseerde medici uitgeoefend werd. Zo was er in Groningen geen radioloog totdat in 1918 S.Keijser (buitengewoon hoogleraar radiologie te Groningen, 1948-1954), voormalig conservator bij de psychiatrie, bij de oprichting van het Radiologisch Instituut tot directeur en lector in de radiologie benoemd werd. …... In 1933 waren volgens het eerste register van de Specialisten Registratie Commissie (SRC) 42 artsen als radioloog ingeschreven. Toen dr.B.J.Rethmeier zich in 1942 te Almelo vestigde, was hij, ofschoon er intussen nog 78 radiologen bij de SRC aangemeld waren, aanvankelijk de enige radioloog in Twente en wijde omgeving; zijn naaste collega was in Arnhem gevestigd. In veel ziekenhuizen werd de radiodiagnostiek nog door andere specialisten erbij gedaan; de radiotherapie was al veel meer een aparte discipline, waardoor de weinige radiologen hiervoor een regionale functie hadden. Rethmeier begaf zich dan ook aanvankelijk per motor, een container met radium ver achter zich op de bagagedrager, regelmatig vanuit Almelo op pad om, bijvoorbeeld in Zwolle, een patiënte met een cervixcarcinoom te behandelen.

Omstreeks 1960 waren in de meeste ziekenhuizen radiologen werkzaam; hun komst was overigens niet altijd door iedereen toegejuicht, aangezien nogal wat andere specialisten voor een deel van hun inkomen van de radiodiagnostiek afhankelijk waren.

Overwegingen betreffende stralenhygiëne, het efficiënte gebruik van expertise en grote kapitaalsinvesteringen hebben ertoe geleid dat ieder ziekenhuis thans beschikt over een radiologische afdeling, waar één of meer radiologen verantwoordelijk zijn voor het radiodiagnostische werk. De radiotherapie is nu een apart specialisme, dat gecentraliseerd in een beperkt aantal ziekenhuizen uitgeoefend wordt.

ONTWIKKELING VAN DE RADIODIAGNOSTIEK

Aanvankelijk werd de radiodiagnostiek voornamelijk gebruikt om het skelet zichtbaar te maken; al spoedig werden ook thoraxopnamen vervaardigd. De radiologische longdiagnostiek die hierdoor mogelijk werd, heeft later sterk bijgedragen aan een succesvolle tuberculosebestrijding. Röntgenstralen bleken verder nuttig om concrementen in de urinewegen te diagnostiseren. Gedurende de Eerste Wereldoorlog werden veel röntgenfoto's gemaakt om granaatsplinters op te sporen.

Nadat vanaf 1910 bariumsulfaat in gebruik kwam als vrijwel ideaal contrastmiddel voor het maag- en darmonderzoek werd het verrichten van ‘bariumwerk’ voor lange tijd één van de belangrijkste bezigheden van de radiodiagnost. ……....

Omdat galstenen, in tegenstelling tot concrementen in de urinewegen, maar zelden schaduwgevend zijn, betekende de ontwikkeling van de orale cholecystografie in 1925 een grote vooruitgang voor de diagnostiek van de galsteenaandoening. De urologische diagnostiek maakte een sprong voorwaarts toen in 1929 een niet te toxisch contrastmiddel voor intraveneuze pyelografie beschikbaar kwam.

Uiteraard heeft de technische zijde van de radiodiagnostiek in de loop van de tijd een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Aan het eind van de jaren twintig en in het begin van de jaren dertig hebben Nederlanders hierbij een grote rol gespeeld. De fysicus dr.A.Bouwers ontwikkelde eind jaren twintig bij Philips onder andere de Rotalix-röntgenbuis ……... B.G.Ziedses des Plantes (hoogleraar radiologie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, 1953-1972), die opgeleid was tot neuroloog-psychiater, heeft veel fundamenteel werk verricht op het gebied van de planigrafie. Zijn eerste publicatie over dit onderwerp verscheen in 1931 in dit tijdschrift (NTvG). Zijn (Nederlandstalige) proefschrift uit 1934 handelt niet alleen over de planigrafie, maar ook over een tweede ‘Röntgenographische Differentiatiemethode’, namelijk de subtractie. Het beginsel van deze originele vondst is dat het verschil tussen twee grotendeels gelijke röntgenopnamen zichtbaar gemaakt kan worden door de ene met een diapositief van de ander te bedekken. Het heeft opvallend lang geduurd voordat de subtractie wereldwijd geaccepteerd werd. Een onlangs verschenen Amerikaans boek over de geschiedenis van de radiologie houdt het er zelfs op dat de ontdekking van Ziedses des Plantes uit 1963 dateert, in feite verscheen toen echter zijn eerste artikel in de Engelse taal over dit onderwerp. Pas nadat vanaf het eind van de jaren zestig elektronische in plaats van fotografische methoden in gebruik kwamen om te subtraheren, werd subtractie onder andere in de angiografie, bijvoorbeeld bij de digitale subtractie-angiografie, alom ruim toegepast. Ziedses des Plantes, die verder vooral als neuroradioloog innoverend werk heeft gedaan, stond ten slotte in 1950 aan de wieg van de scintigrafie; hij is de beroemdste radioloog die Nederland heeft voortgebracht.

Nadat in 1953 de Zweed S.I.Seldinger een even vernuftige als simpele methode had beschreven om een punctienaald waarvan het uiteinde in een bloedvat lag, te vervangen door een catheter, namen de mogelijkheden van de angiografie sterk toe. De ‘Seldinger-techniek’ werd door A.E.van Voorthuisen (hoogleraar radiodiagnostiek te Leiden, 1971-heden) na een verblijf in Stockholm in 1959, in Nederland geïntroduceerd. Veel Nederlandse radiologen hebben die techniek van hem geleerd.

Toen halverwege de jaren zestig vrij algemeen bruikbare beeldversterkers, die de stralenbelasting van de patiënt tijdens een doorlichting aanzienlijk verminderden, beschikbaar kwamen, veranderde het leven van de radioloog aanzienlijk. Tot die tijd verbleef hij vaak een groot deel van de dag in een vrijwel compleet verduisterde kamer om er zijn doorlichtingswerk te verrichten. Met een beeldversterker kon hij voortaan in het halfdonker werken. Een andere technische ontwikkeling die het werk op een radiologische afdeling omstreeks dezelfde tijd sterk veranderde, was de invoering van automatische ontwikkelapparatuur. Hierdoor werd de tijd tussen het maken van een opname en het ter beschikking komen van de droge foto, gereed voor de beoordeling, teruggebracht van ongeveer een halve dag tot enkele minuten of zelfs tot 90 seconden.

Toen vanaf de jaren zeventig de fiberendoscopie van de tractus digestivus tot bloei kwam, nam het aantal bariumonderzoeken af, maar de kwaliteit nam toe. De radiologen konden hun resultaten nu regelmatig toetsen aan de endoscopie en hun onderzoektechniek daardoor zo nodig verbeteren. Het belang van de radiologische dunne-darmdiagnostiek is – de endoscopische mogelijkheden zijn hier immers beperkt – niet afgenomen. Door het werk van onze landgenoot dr.J.L.Sellink, die in de jaren zeventig de enteroclysetechniek – waarbij de bariumsuspensie via een duodenumsonde toegediend wordt –, ontwikkelde, werd de dunne-darmdiagnostiek sterk verbeterd. Sellink is wereldwijd bekend; hetzelfde geldt voor dr.G.J.van Andel, die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de zogenaamde interventie-radiologie, waarbij de radioloog gebruik maakt van een radiologische techniek om een diagnostische of therapeutische handeling te verrichten. Hij verbeterde de techniek van de percutane transluminale angioplastiek (PTA of ook wel ‘Dotter-techniek’) niet alleen aanzienlijk, maar paste deze ook ruim toe in een tijd toen de Amerikaan C.T.Dotter in eigen land nog nauwelijks erkenning kreeg. Zijn monografie uit 1976 was het eerste samenvattende boek over PTA. 

De meest revolutionaire recente ontwikkelingen in de radiodiagnostiek betreffen de zogenaamde doorsnede-technieken, met name echografie, computertomografie (CT) en kernspinresonantie-tomografie (MRI). Afwijkingen in parenchymateuze organen zoals lever, pancreas en hersenen zijn hiermee op directe en niet-invasieve wijze zichtbaar te maken. Eerder lukte dit alleen en naar onze huidige inzichten vaak nog slecht door middel van indirecte, vaak invasieve methoden zoals angiografie of pneumencefalografie (het zichtbaar maken van de intracraniële liquorruimten door middel van een gas).

Met de echografie, die aan het eind van de jaren zeventig populair werd, kwam een relatief goedkope onderzoekmethode beschikbaar. Omdat er geen ioniserende straling aan te pas komt, kan de indicatie ook voor bijvoorbeeld de prenatale diagnostiek ruim gesteld worden. Doordat galstenen echografisch uitstekend gediagnostiseerd kunnen worden, nam het belang van de orale cholecystografie sterk af. Echografie werd ook belangrijk bij interventies zoals diagnostische of therapeutische puncties.

Vanaf 1972 heeft CT de mogelijkheden van de radiodiagnostiek wezenlijk vergroot. De uitvinders van de CT, de Engelsman G.N.Hounsfield en de Zuidafrikaan A.M.Cormack, kregen in 1979 gezamenlijk de Nobel-prijs. ‘Tomography’ is de Angelsaksische term voor planigrafie, voor de ontwikkeling waarvan zoals eerder opgemerkt Ziedses des Plantes in de jaren dertig veel pionierswerk verricht heeft. In Nederland is het CT-onderzoek langzaam van de grond gekomen; het heeft door een restrictief regeringsbeleid zelfs tot het eind van de jaren tachtig geduurd voordat de apparatuur voor vrijwel iedere radiologische afdeling beschikbaar kwam. Na het invoeren van CT-onderzoek zijn de indicaties voor conventioneel radiologisch onderzoek vaak ingrijpend veranderd; zo wordt pneumencefalografie, omdat CT op een voor de patiënt minder onaangename wijze betere informatie verschaft, in het geheel niet meer toegepast.

MRI, waarbij evenmin als bij echografie gebruik wordt gemaakt van ioniserende stralen, werd in de jaren zeventig en tachtig ontwikkeld. Sinds het eind van de jaren tachtig wordt deze techniek in Nederland in toenemende mate toegepast. De ontwikkeling is nog in volle gang.

ONTWIKKELING VAN DE RADIODIAGNOST

Aanvankelijk was de radioloog iemand met ……………………….